|
Het bepalen van je positie
Niets is zo vervelend als niet
te weten waar je je precies bevindt op de kaart. Mocht dat
echter toch het geval zijn, dan kun je met behulp van je
kompas en enkele herkenningspunten in de omgeving uitrekenen
waar je ongeveer bent. Je zult nooit echt precies uit kunnen
rekenen waar je bent, maar afhankelijk van de schaal van je
kaart toch met een nauwkeurigheid van enkele tientallen meters
kunnen aantekenen op de kaart waar je staat.
Voor het uitrekenen van je
eigen positie kunnen we gebruik maken van twee verschillende
methoden:
- kruismeting
(het snijpunt van twee verschillende lijnen)
- driehoeksmeting
(de snijpunten van drie lijnen vormen een klein
driehoekje)
|
Kruismeting
Kruismeting is de makkelijkste van de twee, simpelweg
omdat het minder werk en tijd kost. Daarmee is deze
methode vaak ook iets minder nauwkeurig als de
driehoeksmeting. Voor een kruismeting zoek je twee
herkenbare (en op de kaart bekende!) objecten in de
omgeving die dusdanig uit elkaar liggen dat de hoek
tussen hen tussen de 45° en de 135° is. Bij een hoek
die kleiner of groter is wordt de methode namelijk
minder nauwkeurig.
Bepaal nu eerst de
richtingshoek naar het eerste object. Dit doe je door
het kompas op het object te richten en vervolgens de
kompasroos dusdanig rond te draaien totdat het noorden
van de roos precies gelijk staat met het noorden dat je
kompasnaald aanwijst. Leg vervolgens het kompas op de
kaart en draai het kompas net zolang rond totdat de
lijnen van de kompasroos parallel lopen met de lijnen
naar het (magnetische) noorden van de kaart. Nu zorg je
ervoor dat je kompashuis of de kompasplaat tegen het
object dat je zojuist hebt gepeild ligt zodat je een
rechte lijn kunt trekken vanaf dat object tot de
richting waar je je bevindt.
|
|
Nu doe je hetzelfde met het
andere object: peilen en hoek meten, hoek overbrengen naar de
kaart en vervolgens een lijn trekken. Je zult zien dat de twee
lijnen elkaar ergens snijden: dit is de plek waar jij je
ongeveer bevindt.
Driehoeksmeting
Bij een driehoeksmeting doe je precies hetzelfde als bij de
kruismeting, alleen maak je nu gebruik van drie objecten en
dus drie lijnen. Daar waar de lijnen elkaar snijden ontstaat
vaak een heel klein driehoekje, vandaar de naam
driehoeksmeting. Jij bevindt je in het midden van dat
driehoekje.
|