Het bepalen van de richting
Een kompas werkt volgens het
principe dat de naald van het kompas altijd naar het noorden
wijst. Daardoor kun je dus uitrekenen in welke richtig je
loopt. Om dat rekenen te vergemakkelijken hebben bijna alle
kompassen een ring die draaibaar is, zodat je kunt aflezen in
welke richting je gaat.
Om een kompas te kunnen
gebruiken moet je beschikken over een goede kaart. Deze moet
minimaal de noord-zuid as vermelden, zodat je zelf kunt
bepalen waar het noorden op de kaart wordt aangegeven.
Heb je dit op de kaart
gevonden, dan kun je als volgt te werk gaan om je koers te
bepalen:
|
|
1ste
handgreep
Plaats het kompas op de kaart op een dusdanige wijze
dat de lange kant ervan over de as ligt van positie (1)
naar bestemming (2). Let er hierbij op dat de pijlen op
het kompas van positie naar bestemming wijzen en niet
andersom.
|
|
|
Druk nu het kompas stevig
op de kaart, terwijl je de ring ronddraait. Deze draai
je net zolang totdat de noord-zuid as van de ring
evenwijdig loopt met de noord-zuid as van de kaart. Ook
hier geldt dat de N of 0 graden die naar het noorden
wijst op de ring, tevens naar het noorden op de kaart
moet wijzen.
|
|
|
2de
handgreep
Neem nu het kompas in de hand en houdt het op
oog-hoogte. Hierbij moet het kompas horizontaal worden
gehouden en moeten de pijlen op de plaat recht vooruit
wijzen. Draai nu met je lichaam rond totdat de pijl van
de ring in dezelfde richting wijst als de naald van het
kompas. Het (vaak) rode uiteinde van de naald moet nu in
dezelfde richting wijzen als de N of 0 graden op de
ring. De pijlen op de plaat wijzen nu in de richting
waar je naartoe moet lopen.
|
Zoek nu in de verte een object
waar de pijlen naartoe wijzen en loop er naartoe. Ben je er
aangekomen herhaal dan de voorgaande stappen opnieuw en bepaal
opnieuw je richting.
|